7 december 2017

Sociaal domein / artikel

Utrechtse kernpartners verbinden onderwijs en jeugdhulp

In de gemeente Utrecht hebben alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs een team van kernpartners. Het team ondersteunt de scholen bij het bieden van passend onderwijs, het vroegsignaleren van ondersteuningsbehoeften van leerlingen en het terugdringen van thuiszitters. ‘Het is een werkhouding die voor iedereen een verbetering is,’ zegt Frederike Kamp, ‘voor de leerlingen, de ouders, en voor ons.’

Utrechtse kernpartners verbinden onderwijs en jeugdhulp

Kamp is kwaliteitsmedewerker en leerplichtambtenaar bij de gemeente Utrecht. Met ‘werkhouding’ bedoelt ze de kernpartneraanpak. ‘Hiermee zijn we in 2012 begonnen met experimenteren in het Utrechtse voortgezet onderwijs. Met de start van passend onderwijs in augustus 2014 is dit stapsgewijs voor de hele gemeente ingevoerd.’

Visie op jeugdhulp in het onderwijs

In 2012 ontwikkelde het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs (SWV sterk VO) in samenspraak met de gemeente Utrecht, een visie voor basisondersteuning aan leerlingen. Een visie die uitging van:

  • Een sterke basis op school;
  • Extra ondersteuning die samen met de kernpartners (de gemeentelijke afdeling leerplicht, jeugdgezondheidszorg, schoolmaatschappelijk werk en het samenwerkingsverband) wordt geboden;
  • Specialistische ondersteuning vanuit speciale voorzieningen;
  • Eén kind, één gezin, één plan, één regisseur;
  • En niet praten over, maar praten met ouders en leerling.

In 2017 is dit nog steeds het uitgangspunt, met uitzondering van schoolmaatschappelijk werk. Dit ging in 2015 op in het Utrechtse Buurtteam. In plaats van schoolmaatschappelijk werk is het Utrechtse Buurtteam nu één van de kernpartners.

De kernpartneraanpak betekent een dubbele opdracht voor de partners. Het doel is zowel de hulpverlening aan jongeren en gezinnen als het versterken van de scholen door samen een team te vormen dat scholen ondersteunt in hun primaire proces. De kernpartneraanpak heeft geleid tot een slimme organisatie van hulp en ondersteuning in en om de school.

Jeugdhulp dichtbij school

Voor de invoering van de kernpartneraanpak belde een school bij dreigend thuiszitten de afdeling leerplicht. Een leerplichtambtenaar bekeek wat er aan de hand was en belde weer de volgende instantie. Het werk ging stap voor stap, en niet zelden buiten de ouders en leerling om. Bij de kernpartneraanpak wordt juist wél gezamenlijk gewerkt. Iedereen wordt gehoord en informatie wordt niet meer, bedoeld of onbedoeld, buiten elkaar om uitgewisseld.

Dat werkt ongeveer zo: in het voortgezet onderwijs (VO) heeft elke school een eigen team van vier vaste personen (de kernpartners), die een aantal momenten per week gelijktijdig aanwezig zijn. In het maatschappelijk beroepsonderwijs (MBO) zijn er op dit moment drie scholen met zo’n team. En in het primair onderwijs (PO) werken de kernpartners wijkgebonden.

Als een leerling weinig aanwezig is of als school bijvoorbeeld niet meer weet wat te doen met bepaald gedrag, roepen de school of ouders het kernteam erbij. Binnen een aantal dagen gaat het hele team samen met de mentor (of leraar), de ouders en vaak ook met de leerling om tafel. Samen bedenken ze wat er nodig is om de leerling en de school goed te ondersteunen.

Taakverdeling kernpartners

Na het overleg heeft elke kernpartner zijn eigen primaire taak:

  • Bij een geval van thuiszitten licht de leerplichtambtenaar toe welke rechten, plichten en mogelijkheden er zijn voor het kind en de school.
  • De samenwerkingsverbandmedewerker ondersteunt de school om de schoolloopbaan van het kind goed te laten verlopen.
  • Bij ziekte is er een taak voor de jeugdarts.
  • Het buurtteam helpt kinderen, jongeren en hun ouders bij opvoedproblemen, conflicten met school, pesten, schulden en verslavingen.

Het Utrechtse Buurtteam werkt generalistisch en heeft veel expertise in huis. Doorverwijzing naar specialistische zorg is hierdoor minder snel nodig. In het team werken oud-medewerkers van diverse expertise gebieden samen, van schoolmaatschappelijk werk tot jeugdpsychiatrie en verslavingszorg.

‘Het klinkt allemaal heel gemoedelijk,’ zegt Kamp ‘maar het overleg met de ouders en de jongeren gaat heus niet altijd zonder conflict. Zo willen ouders hun kind beschermen, en vinden jongeren van vijftien, zestien jaar het vaak niet fijn als we hun ouders erbij betrekken. Denken we dat een jongere actiever meewerkt zonder de aanwezigheid van ouders, dan maken we weleens een uitzondering. Maar we informeren ze altijd.’

Minder thuiszitters, maar samenwerking kan nog beter

Kamp merkt dat de aanpak succesvol is: ‘Zorgleerlingen worden eerder gesignaleerd dan voorheen en de kernpartners, de school en de ouders weten elkaar snel te vinden. Ook hebben we thuiszitters beter in beeld en zien we jongeren eerder terug naar school gaan.’ Manon Moonen, beleidsadviseur van de gemeente Utrecht, bevestigt dit. Moonen gaat op beleidsniveau in gesprek met alle kernpartners en scholen om de samenwerking achter de schermen te organiseren.

Net als Kamp ziet Moonen ook verbeterpunten: ‘In het speciaal onderwijs kan de samenwerking met het buurtteam nog beter. Door ook bij deze scholen het schoolmaatschappelijk werk te integreren met het buurtteam. In het mbo hebben we te maken met twee belangrijke uitdagingen: 18+ jongeren en jongeren uit verschillende gemeenten. Een jongere wil je één begeleider geven, maar een begeleider van het buurtteam in Utrecht werkt bijvoorbeeld niet in Nieuwegein of Houten, en andersom geldt dat ook. Daar moeten we dus iets op vinden.’

Wat ze ook zien is dat scholen in Utrecht zich gesteund voelen. De scholen worden met bijeenkomsten betrokken bij de beleidsvorming en -uitvoering. Bij complexe problematiek is de expertise dichtbij, er zijn korte lijnen en er is één gezicht als aanspreekpunt van de vier kernpartners.

Logische aanpak geschikt voor andere gemeenten

Als kwaliteitsmedewerker leerplicht gelooft Kamp dat de aanpak van Utrecht ook geschikt is voor andere gemeenten. Het is een aanpak die al snel ‘logisch’ voelde. In het begin vroegen de kernpartners en de school zich nog weleens af of ze per se de ouders erbij moesten betrekken, en of ze de casus niet anoniem konden bespreken. Maar gaandeweg werd de samenwerking met ouders juist gemeengoed.

Kamp noemt een paar voorwaarden die belangrijk zijn om de kernpartneraanpak te laten slagen:

  • Niets aan anderen opleggen: het SWV en de scholen erbij betrekken is essentieel. Zij moeten de toegevoegde waarde voelen;
  • Niet alles tegelijkertijd doen: begin bijvoorbeeld met het VO. Het ene SWV is eerder enthousiast dan het andere;
  • Maak samen een plan, niet los van elkaar: soms heb je de pech dat een SWV met meerdere gemeenten werkt, en dat is lastiger, maar zeker niet onmogelijk.
  • Werk je als gemeente niet met wijkteams? Dan kun je wel signaleren en samenkomen op scholen, maar moet je eerder doorverwijzen naar de hulpverlening.
  • En je moet goed regelen wie welke verantwoordelijkheden heeft en waar kunnen maken dat elke school vier vaste gezichten heeft.

Meer lezen?

Lees meer over de kernpartneraanpak in de brochure School en wijk in de praktijk: Voortgezet onderwijs en jeugdhulp in Utrecht.