Illya Soffer 14 maart 2018

Maak van inclusie geen desillusie

Toen in 2016 na tien jaar lobby eindelijk het VN-verdrag Handicap in de Tweede Kamer werd aangenomen, steeg een luid gejuich op vanaf de publieke tribune. De mensen met een beperking en hun naasten die in de Kamer aanwezig waren wisten: meedoen aan de samenleving is vanaf nu een mensenrecht. En bij besluiten die mensen met een beperking aangaan moeten zij worden betrokken, volgens het credo: Nothing about us, without us.

Nederland is met de ratificatie van het VN-verdrag een flinke verplichting aangegaan. Wetten moeten worden getoetst aan het verdrag. Jaarlijks moet de staat bij de Verenigde Naties aantonen voortgang te hebben geboekt bij de verwezenlijking van een inclusieve samenleving; een samenleving waarin mensen met een beperking op gelijke voet kunnen deelnemen aan de maatschappij.

Een taak voor Rijk, gemeenten en bedrijfsleven

Behalve voor het Rijk is er een grote rol weggelegd voor het bedrijfsleven, en ook voor gemeenten. Veel beleid dat mensen met een beperking aangaat, krijgt lokaal vorm. Wonen, werk, inkomen, vervoer, cultuur, sport; op tal van terreinen is het uiteindelijk de bedoeling dat het voor mensen met beperking net zo vanzelfsprekend is om mee te kunnen doen, als voor mensen zonder.

Maar de echte waarde van het VN-verdrag gaat niet zozeer over het beleid, maar over het proces waarbij het beleid tot stand komt. Bij het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van al het beleid over mensen met een beperking, moeten zijzelf en hun vertegenwoordigende organisaties structureel worden betrokken. Niets over mensen met een beperking, zonder mensen met een beperking. Het is de essentie van de inclusie die in het verdrag wordt bepleit en vraagt een grote omslag in de manier van denken.

Erkenning van keuzevrijheid

Voor die omslag is het nodig dat gemeenten gaan realiseren dat inclusie vooral betekent dat mensen met een beperking iets te kiezen moeten hebben bij het vormgeven van hun eigen leven. Vanwege hun afhankelijkheid van anderen, van de overheid, van wetten en loketten, staan die keuzevrijheid en de mogelijkheid om gelijkwaardig mee te doen maar al te vaak onder druk. Terwijl niemand beter weet wat mensen met een beperking nodig hebben, dan mensen met een beperking zelf. Bij de erkenning van die – inclusieve – notie, hebben veel gemeenten nog hele grote slagen te maken.

De ervaring bij het keukentafelgesprek niet als gelijkwaardig partner te worden gezien bijvoorbeeld, staat al drie jaar lang met stip op één als het gaat om klachten over de decentralisaties. Niet voor niets geeft 8 op de 10 mensen met een beperking aan meer samenspraak met hun gemeente te wensen bij het vorm- en inhoud geven aan hun leven, terwijl maar 2 op de 10 mensen die samenspraak ook daadwerkelijk ervaren.

Van het keukentafelgesprek tot de samenstelling van de participatieraad. Van het ondersteunen van belangenorganisaties tot het bevorderen van diversiteit in de gemeenteraad. Van het realiseren van voldoende toegankelijke en betaalbare woningen, tot het creëren van passende banen met een volwaardig inkomen. Zonder diepgewortelde erkenning van het belang van samenspraak, leidt het streven naar inclusie tot een praktijk van desillusie.

Illya Soffer is directeur bij Ieder(in), een netwerk voor mensen met een beperking of chronische ziekte.